Solutions/rechtsvragen

Thans voeren wij een substantieel aantal procedures jegens de Belastingdienst met betrekking tot vraagstukken over de Belasting personenauto’s en motorrijwielen (BPM).

Omdat veel gebruikte motorrijtuigen worden geïmporteerd uit andere lidstaten werken de regels van het Unierecht rechtstreeks door in de nationale rechtsorde en moeten de nationale voorschriften voldoen aan de beginselen van het Unierecht.Logo_rechtspraak2

Hoewel er al erg veel geprocedeerd is over de BPM, leiden nieuwe regelingen telkenmale tot nieuwe conflicten.

Als u een gebruikte auto invoert vanuit een andere lidstaat is het van belang dat u zich goed laat voorlichten en laat bijstaan door deskundigen die importbegeleiding verlenen met betrekking tot de invoer van gebruikte auto’s uit andere lidstaten.

Niet zelden ook kan het een fors bedrag aan belasting schelen. Bovendien neemt u – wanneer u een gebruikte auto invoert zonder importbegeleiding – forse fiscale risico’s die zoveel mogelijk beperkt worden doordat dergelijke partijen doorgaans al de nodige fiscale procedures achter de rug hebben.

Om u enig inzicht te geven in de geschillen die thans bij de diverse rechtscolleges aanhangig zijn, treft u hier enkele (rechts)vragen aan. Sommige vragen kunnen ook (grote) gevolgen hebben indien ze gegrond zijn voor andere rechtsgebieden.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid:
    1. Verzetten zich de regels van het Unierecht, meer bepaald het voorrangsbeginsel, het doeltreffendheidsbeginsel en het beginsel van uniforme toepassing zich er tegen in het geval belanghebbende bestaande rechten heeft op grond van het Unierecht en deze rechten door verweerder worden geschonden en belanghebbende niet-ontvankelijk wordt verklaard voor het enkele feit dat hij niet binnen de nationale termijn van 6 weken bezwaar heeft instelt? Zo ja, is er dan ook een termijn waar buiten het maken van bezwaar niet meer redelijk wordt geacht (bijvoorbeeld 6 maanden of 1 jaar)?
    2. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of, zoals bepaald in?artikel 7, lid 1 Wet BPM 1992, voor een personenauto of een motorrijwiel de aanvraag voor de opgave van een kenteken geschiedt door een ander dan degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld, dan in afwijking van artikel 19, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, die ander gehouden de belasting op aangifte te voldoen? En voldoet deze die dan namens degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld? Indien niet de importeur, die daartoe wettelijk is gehouden, maar de toekomstige kentekenhouder (als belastingplichtige) de verschuldigde belasting voldoet, is dan de importeur zelfstandig bezwaargerechtigd is, nu op grond van de letterlijke tekst van artikel 26a lid 1 letter b slechts degene die de belasting heeft voldaan beroep (voorafgegaan door bezwaar) kan instellen?
Met betrekking tot de materieel verschuldigde belasting:
  1. Kan een naheffingsaanslag, wanneer deze is opgelegd ná het belastbaar feit, wegens inbreuk op artikel 110 VWEU stand houden, nu de belasting in lidstaat Nederland niet langer meer een registratiebelasting is, maar een belasting die verschuldigd is voor de duur van de registratie in het kentekenregister, nu er bij uitschrijving uit het kentekenregister teruggaaf van belasting wordt verleend?
  2. Is het verweerder toegestaan toepassing te geven aan artikel 10 lid 7, Wet BPM 1992 in het geval belanghebbende bij zijn aangifte de verschuldigde belasting berekend op grond van de forfaitaire tabel ex. artikel 10 lid 6 wet BPM 1992 en in de bezwaarfase belanghebbende de werkelijke waarde van zijn voertuig wil aantonen middels een binnenlandse koerslijst?
  3. Dezelfde vraag dient gesteld te worden wanneer belanghebbende bij zijn aangifte de verschuldigde belasting berekent op grond van een binnenlandse koerslijst en in de bezwaarfase de lagere waarde van zijn voertuig wil aantonen middels een  binnenlandse koerslijst van een andere leverancier?
  4. Mag verweerder op grond van de in het buitenland betaalde inkoopprijs,  vermeerderd met OB en BPM de in het binnenland geldende handelswaarde berekenen, teneinde de waarde van een vergelijkbaar binnenlands voertuig, wat als heffingsmaatstaf dient bij gebruikte voertuigen  te bepalen? Zo niet, mag hij die waarde dan als indicatie gebruiken?
  5. Mag er meer belasting geheven worden op grond van een BTW voertuig (dan bij marge)? Is het BTW aspect een objectief gegeven van een voertuig? De status van de verkopende partij in het buitenland beïnvloed mogelijk de prijs, maar laat dat onverlet dat de inspecteur moet toekomen aan de waarborgvereiste van artikel 110 VWEU?
  6. Dient het opleggen van een naheffingsaanslag wegens het niet aangeven van de procentuele vermindering van de consumentennieuwprijs ex. artikel 10 lid 2 Wet BPM 1992 te leiden tot integrale proceskostenveroordeling? Zo ja, heeft het dan invloed dat er meerdere naheffingsaanslagen zijn samengevat in 1 uitspraak op bezwaar? Geldt dat hetzelfde voor de overschrijding van de redelijke termijn, volstaat dan 1 x vergoeding of moet voor elke overschrijding vergoeding worden vastgesteld.
Met betrekking tot de heffingsrente, proceskosten en immateriële schadevergoeding:
  1. In alle gevallen is bij het doen van uitspraak heffingsrente vergoed ex. art. 30f AWR (thans art. 30ha AWR). In de zaak Mariana Irimie/lidstaat Roemenië, 18 april 2003, nr. C-565/11 heeft het Hof van Justitie zich uitgelaten over de betaling van rente in het geval de heffing heeft plaatsgevonden in strijd met regels van het Unierecht, zoals in onderhavige gevallen. Partijen willen vernemen of de door het HvJ EU ontwikkelde rechtspraak zich verdraagt met de nationale regeling in lidstaat Nederland en wat de gevolgen daarvan zijn voor de nationale regeling. In de voorliggende zaak heeft de rechtbank artikel 30ha AWR buiten toepassing verklaard en toepassing gegeven aan artikel 30hb AWR.
  2. Wat zijn de gevolgen voor de proceskostenvergoeding in voornoemde gevallen? Wat is de invloed, zoals in onderhavige kwesties, van de omvang van de geschillen, waarbij belanghebbende zich bedient van een standaardbezwaarschrift en slechts, zij het met (relatief geringe) nuances, aanpassingen doet aan dit bezwaarschrift zoals de naam van de belanghebbende, de datum, procesnummers en een berekening van de teruggaaf behandeld?
  3. Moet verweerder schade vergoeden in verband met de overschrijding van een redelijke termijn waarbij hij uitspraak had moeten doen op het bezwaar en wanneer is daarvan sprake? Welke omstandigheden speken een rol bij de verlenging van de termijn? Belanghebbende en verweerder hebben gesprekken gevoerd om te komen tot een vaststellingsovereenkomst. Worden die terecht – zoals de rechtbank overweegt – meegenomen voor verlenging van de termijn?
  4. Is er bij (groepen van) de te behandelen zaken sprake van samenhang in de zin van het Besluit proceskostenvergoeding? En heeft verweerder in bezwaar de kostenvergoeding terecht beperkt tot € 54,50 in het geval van de proceskostenvergoeding voor de naheffingsaanslag en de voldoening op aangifte.
  5. Heeft belanghebbende recht op schadevergoeding wegens een (vermeend) gekwalificeerde schending van het Unierecht en daaruit voortkomende een boven forfaitaire proceskostenvergoeding /integrale vergoeding van de proceskosten, nu in strijd met bestaande rechten van het Europese recht is gehandeld en verweerder naar opvatting van belanghebbende om die reden een verwijtbaar (tegen beter weten in) standpunt heeft ingenomen? Maakt het nog enig verschil dat verweerder, als Inspecteur,  hier nadrukkelijk de wet volgde en in zijn ambt niet kon afwijken van deze expliciete wettelijke regeling en daarom bij de uitoefening van zijn (publiekrechtelijke) functie om die reden reeds geen verwijt valt te maken? Maakt het om die reden een verschil voor de kosten in bezwaar (een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid) en/of beroep?